Nieuw van Mathijs Deen: lees een fragment uit De visser
Lees een exclusief fragment uit De visser, de nieuwste Waddenthriller van Mathijs Deen. Maak kennis met de sfeer, spanning en het begin van deze nieuwe thriller.

Door Astrid
Copyright: BothorAls je aan Waddenthrillers denkt, denk je natuurlijk aan de enige echte Mathijs Deen. Op 21 april verscheen De visser, het laatste deel in de bejubelde reeks Waddenthrillers. In dit slotdeel volgt rechercheur Liewe Cupido het spoor van de fatale reis van zijn vader, vastbesloten om eindelijk de waarheid boven water te krijgen. Met De visser komt er een spannend einde aan een geliefde serie. Ben jij benieuwd hoe het Liewe Cupido in deze laatste zaak vergaat? Lees hier alvast een fragment uit De visser!
Waar gaat De visser over?
Als Liewe Cupido na de uitvaart van zijn moeder terugkomt in zijn ouderlijk huis op Texel, blijkt er te zijn ingebroken. Het lijkt erop dat iemand vergeefs geprobeerd heeft het logboek van de laatste fatale reis van zijn vader te ontvreemden. Liewe gaat op onderzoek uit, maar hoe dichter hij bij de ware toedracht van het ongeluk komt, des te meer hij beseft dat hij bezig is sluimerende demonen te wekken. Als hij dan ook nog merkt dat er voor het eerst van zijn leven op hem gejaagd wordt, dringt de vraag zich op of hij er niet beter aan had gedaan om de familiegeheimen te laten voor wat ze zijn.
Na de uitvaart van zijn moeder ontdekt Liewe Cupido het logboek van de fatale reis van zijn vader. Maar zijn zoektocht naar de waarheid onthult familiegeheimen en brengt hem in groot gevaar.
Fragment uit De visser van Mathijs Deen
14 september 2017
donderdag
Texel
Er is niemand thuis in het huis aan de Rede, pal aan de Waddendijk tussen ’t Horntje en Oudeschild. De marien ecologe Anna Uelsen, die er vanaf 1971 gewoond heeft, is overleden.
Het is de dag van haar uitvaart. Haar kinderen Liewe en Paula en haar zwager Henk zijn nog aan de overkant, op de terugweg van het crematorium in Schagen. Al was de herdenkingsbijeenkomst op Texel goed bezocht, de crematie zelf had weinig om het lijf. Anna had in haar testament bepaald dat alleen Liewe, Paula en Henk haar naar Schagen zouden mogen brengen. Toch is Liewes vriendin Miriam ook meegegaan. Ze zit nu op de achterbank naast Paula. Liewe zit op de bijrijdersstoel, Henk rijdt. Ze zijn Schagen uit. De zon staat laag, de boot van halfzes halen ze niet meer.
Henk vertelt iets over de dode walvis die vorige maand op het strand is aangespoeld, en daarna over de vijf gestrande potvissen anderhalf jaar geleden, de kluit amber die door een collegavisser is meegenomen en een tijdlang in een emmer in zijn schuur heeft gestaan, tot hij verkocht is aan een parfumeur, voor een hoop geld.
Liewe zegt niks, Paula ook niet, Miriam probeert het verhaal te volgen, stelt nu en dan een vraag. Henk weet niet hoe je het allemaal zegt in het Duits, ze gaan over op het Engels. Ook dat vlot niet best. Het verhaal bloedt dood, het wordt stil in de auto. Miriam, die achter Liewe zit, legt een hand op zijn schouder.
En al die tijd is het rustig rond het huis aan de Rede. Het is windstil, de zon werpt lange schaduwen in de tuin. De Japanse sierkers is begonnen knoppen te maken. Maar het zal nog wel een tijdje duren voor ze uitkomen. Anna is er niet meer om ernaar te verlangen. Toch gaat alles door.
Naast het huis staan twee auto’s met Duitse kentekens: de groene Land Rover van Miriam en de dienstauto van Liewe, een donkere bmw.
Onderlangs de dijk nadert een man op een brommer. Vijftig meter van het huis, bij het gemaal dat het boerenland ontwatert, mindert hij vaart en stopt. De afgestapte man, helm nog op, zet de brommer uit het zicht achter het gemaaltje op de standaard, steekt rustig de weg over naar de tuin, stapt over het hek en loopt tussen de bomen door naar de bijkeukendeur van het huis. Niemand heeft hem gezien. Het is halfzes, de eilanders zitten aan tafel.
De bijkeuken is niet op slot, de man duwt de deur open en stapt naar binnen. Even blijft het stil, maar dan klinkt er een gealarmeerde hoge energieke blaf, en een diepere, met meer tussenpozen. De deur wordt opengestoten en de man maakt zich uit de voeten. Twee honden komen achter hem aan. Hij rent door de boomgaard, springt over het hek, verdwijnt achter het gemaaltje, start de brommer en rijdt weg.
De honden zijn aan het hek blijven staan. Ze blaffen niet meer, ze kwispelen, neus in de lucht. Dan lopen ze door de boomgaard, vinden een plek waar de avondzon nog wat warmte geeft, gaan rollen in het gras en komen tot rust.
Even over zeven zet Henk Miriam en Liewe af aan de Rede. Miriam loopt de tuin in, de honden komen blij op haar af.
‘Waren jullie buiten?’ vraagt ze.
Paula is ook uitgestapt en loopt om de auto heen om op de bijrijdersstoel te gaan zitten.
‘Kom morgen ontbijten,’ zegt Liewe tegen haar. ‘Of koffiedrinken. We hebben een afspraak bij de notaris, om elf uur.’
‘Ik kom daar wel naartoe,’ zegt Paula.
Liewe kijkt haar aan, Paula slaat haar ogen niet neer. ‘Wat?’ zegt ze.
‘We moeten overleggen voor we gaan,’ zegt Liewe. ‘Mama heeft alles uit handen gegeven.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Het huis, de boedel, de erfenis, alles.’
‘Ik begrijp je niet.’
Liewe kijkt opzij, knikt naar het huis. Paula kijkt nu ook.
‘Mama heeft de notaris de volledige bevoegdheid gegeven om ons alles uit handen te nemen. Ook de verkoop van het huis en het verdelen van de erfenis.’
Paula zegt niks.
‘Wil je dat?’ vraagt Liewe.
‘Ik hoef niks uit dat huis.’
Oom Henk is uitgestapt en komt achter Paula staan. ‘Kom, we gaan,’ zegt hij. Miriam, die zich discreet op afstand heeft gehouden, komt nu aan het tuinhek staan. ‘We hadden de deur toch dichtgedaan?’ vraagt ze aan Liewe. ‘Of had jij hem open laten staan?’ Liewe schudt nee, kijkt weer naar Paula. ‘Kom morgenochtend,’ zegt hij. ‘We moeten dit goed achterlaten, samen.’ Als Henk en Paula zijn weggereden en Miriam Liewe is voorgegaan naar binnen, blijft hij een tijdje op de drempel van de keuken om zich heen staan kijken. Nu ook het lichaam van zijn moeder weg is uit dit huis, dringt het tot hem door hoe verweesd de dingen zijn die ze heeft achtergelaten. De kruidenpotjes in het rek, de steelpannen en pollepels doodstil aan hun keukenrail, de theepot op het lichtje, de pannenlappen, het fornuis met het melkpannetje, de theedoek en handdoek aan hun haakjes, de stoelen uit haar eigen ouderlijk huis, de eettafel die erbij hoorde, de kast met de met wijnranken beschilderde borden, het servies achter glas, de twee lades daaronder, de een met tafellakens en onderzetters, de ander vol met dingen; schaar, plakband, punaises, pennen, nagelknipper, wasknijper, rolletje garen, naalden, batterijen. Liewe haalt zijn schouders een beetje op en kijkt naar de Japanse kers voor het raam.
Miriam komt de keuken in, ze schuurt met haar been langs de tafel. Liewe draait zich om kijkt naar haar, als in een trance, dan naar de tafel. Het olie- en azijnstelletje dat er op stond is omgevallen, alsof er iemand tegenop gelopen is. ‘Er is iemand binnen geweest,’ zegt hij.
Copyright © 2026 Mathijs Deen